Vaccinatie, verzorging en sterilisatie van konijnen.

 

1. Vaccinatie

Bij konijnen komen een tweetal virale ziekten voor die in de meeste gevallen leiden tot de dood. Gelukkig bestaan hiervoor vaccins om hen tegen deze virussen doeltreffend te beschermen. Het gedomesticeerde konijn loopt een groot risico om vroeg of laat met deze ziekten in contact te komen doordat er zich in de wilde konijnenpopulatie regelmatig uitbraken voordoen.

 

1.1. Myxomatose

1.1.1. Besmetting

Dit virus kan op verschillende manieren worden overgedragen:
- door direct contact met een besmet konijn.
- door overdracht via de konijnenvlo en de schilfermijt.
- door muggen.

Voor gezelschapskonijnen zijn muggen veruit de grootste oorzaak voor het oplopen van myxomatose. Dit betekent ook dat zelfs konijnen die binnenshuis worden gehouden vrij makkelijk besmet geraken met het myxomatosevirus.
Nadat uw konijntje gestoken wordt door een mug, ontwikkelt zich na 4 à 5 dagen een huidletsel op de steekplaats. Dit huidletsel bereikt na enkele dagen een diameter van een 3 tal cm. Ondertussen verspreid het virus zich over gans het lichaam en veroorzaakt letsels ter hoogte van de neusopening, lippen, oogleden, oorbasis, anus en genitaliën. Dikwijls gaan de oogleden dichtkleven ten gevolge van overdadige ettervorming.

1.1.2. Behandeling

Een intensieve behandeling in een poging het diertje te redden bestaat uit:
- antibioticum om bijkomende fatale bacteriële infecties te voorkomen
- huisvesten in een warme omgeving (hoe hoger de temperatuur, hoe minder sterfte)
- niet – steroidale ontstekingsremmers.
- primperan om te vermijden dat het maagdarmstelsel stilvalt.
- dwangvoederen met vezelrijke voeding.

Deze behandeling is echter niet altijd succesvol.

1.1.3. Preventie

Door te vaccineren kan u uw konijn beschermen tegen dit virus. Voor dwergkonijnen gebeurt de eerste vaccinatie op leeftijd van 3 maand. Zes weken later is een hervaccinatie vereist. Het vaccin (dat een werkingsduur heeft van 4 maand) wordt het best twee maal per jaar gegeven. Een eerste maal in april en een tweede maal in juli. Aangezien overdracht door muggen in de wintermaanden niet mogelijk is, is een vaccinatie rond december niet nodig.
Voor andere konijnen mag de eerste vaccinatie gebeuren rond leeftijd van 4 weken. Het herhalingsvaccin wordt toegediend op 10 weken. Nadien dient de vaccinatie ook 2 maal per jaar te gebeuren.

 

1.2. Rabbit Hemorrhagic Disease (RHD) (Calici-virus)

1.2.1. Besmetting

Dit virus wordt op verschillende manier overgedragen:
- door direct contact met besmette konijnen.
- via de stoelgang en urine van besmette konijnen. Door het voederen van in het wild geplukt groenvoer kan uw
   huiskonijn op deze manier besmet worden. Stoelgang of urine van wilde konijnen kan dit groenvoer bevuild hebben.
- via de mug en de konijnenvlo: beide insecten kunnen het virus overbrengen door het nemen van een bloedmaaltijd bij
   uw konijn.
- via vliegen. Deze geraken besmet door het eten van karkassen van overleden konijnen. In de stoffelijke overschotten
   blijft het Calicivirus gedurende verschillende weken in leven. De vlieg brengt het virus over via zijn uitwerpselen die in
   de kooi of op de voeding van uw konijn kunnen belanden.

Besmetting door het Calicivirus gebeurt bij onze huiskonijnen veel frequenter dan de besmetting met het myxomatosevirus. Drie tot vier dagen na besmetting treden de eerste symptomen op de voorgrond. De klachten worden veroorzaakt door een zeer ernstige infectie op de lever en door het samenklonteren van de bloedplaatjes wat aanleiding geeft tot bloedingen. De ziekte kan zich profileren op drie verschillende manieren:
- Peracuut verloop: het konijntje wordt snel zwakker en dooft als een kaarsje uit binnen de 2 uur. Het gebeurt frequent
   dat men ’s morgens een gezond en levendig konijn achterlaat en ’s avonds het overleden konijn opmerkt. Als
   mogelijke oorzaak denkt de eigenaar dikwijls een hartinfarct, hersenbloeding …terwijl dit in bijna alle gevallen om
   deze ziekte gaat.
- Acuut verloop: Het konijntje krijgt koorts, beweegt niet meer en begint sneller te ademen. Binnen de 12 uur
   overlijden ze aan deze ziekte.
- Chronisch verloop: Sommige konijnen overleven de acute fase maar bezwijken veelal enkele dagen later. Dikwijls
   hebben deze konijnen geelzucht door de zware leverinfectie.

Sommige zaken kunnen het vermoeden van dit virus
   bevestigen. In een aantal gevallen krijgen de konijnen epileptiforme aanvallen of gaan ze een luide krijs laten net voor
   hun dood. Bloed in de urine en een bloederige uitvloei uit de neus of de vagina kan men soms ook vaststellen.
   Eventueel bemerkt men een schuimig vocht dat uit de neus komt. Het meest typisch beeld van een konijntje dat aan
   dit virus overleden is, is een konijntje met een bloederige uitvloei uit de neus dat het kopje naar achter houdt.

1.2.2. Preventie

Vaccinatie tegen dit virus gebeurt de eerste keer op leeftijd van 12 weken. Nadien gebeurt het twee maal per jaar met een tussentijd van een 6 tal maand.

1.3. Vaccinatieschema

Voor mensen die hun konijn maximaal wensen te beschermen dient men drie maal per jaar te vaccineren:
- Half april: Myxomatose en RHD
- Eind juli: Myxomatose
- Half oktober: RHD

Voor mensen die hun konijn een goede bescherming willen geven, maar liever niet drie maal per jaar langskomen, bestaat er een goede tussenoplossing:

Half april: Myxomatose en RHD
Half augustus: Myxomatose en RHD

Op deze manier is uw konijn gedurende het hele jaar beschermd, behalve in de wintermaanden. Aangezien overdracht van de ziekten op huiskonijnen bijna uitsluitend gebeurt via insecten is het risico op besmetting in de wintermaanden klein. Omdat RHD ook kan overgedragen worden door besmet groenvoer gaat men best van februari tot half april geen groen plukken inde natuur om dit aan het eigen konijn te voederen.

2. Verzorging van het konijn

 

2.1. Omgang met het diertje

Een konijntje vastnemen in de hals of bij de oren is niet alleen zeer pijnlijk, bovendien is het ook levensgevaarlijk. Wanneer hij stampt terwijl hij in de lucht hangt, is er een kans op het breken van de ruggengraat. Hierbij treedt er een verlamming op van de achterpoten die meestal niet te genezen valt. Daarom moet men een konijntje bij het opnemen altijd onder de borstkas en onder het zitvlak ondersteunen.

 

2.2. Beweging

Een konijntje moet om verschillende redenen voldoende ruimte hebben om te bewegen. In de handel worden er verschillende kant en klare konijnenhokken aangeboden. Deze kunnen echter maximum dienst doen als slaapruimte.
Elk konijntje maakt zijn eigen toilet. Hiervoor kiest het een welbepaald hoekje waar hij steeds opnieuw zijn kleine en grote behoefte zal deponeren. Indien het opgesloten zit in een te kleine ruimte zal hij regelmatig met zijn pootjes in de eigen uitwerpselen staan. Als gevolg hiervan gaan de pootjes onderaan pijnlijk ontsteken. Dit gebeurt zelfs bij konijnen waarbij het te kleine hok regelmatig wordt ververst.
Daarnaast is beweging voor een konijn ook belangrijk om niet te dik te worden. Bovendien zal hij door rond te lopen de rug voldoende buigen en strekken zodat vergroeiingen tussen de wervels niet voorkomen. Bij overgewicht en / of wervelvergroeiingen wordt het diertje minder flexibel en is zodoende niet meer in staat de caecotrofen op te eten. Caecotrofen zijn een zachte stoelgang die ’s morgens worden uitgescheiden en boordevol noodzakelijke vitaminen en aminozuren zitten.

 

2.3. Voeding

Konijnen hebben een vezelrijke en energiearme voeding nodig om slank en gezond te kunnen leven. In de handel zijn er verschillende kant en klare pakketjes korrelvoeding te verkrijgen die echter te vezelarm en te energierijk zijn. Deze kunnen bij uw konijntje op korte of lange termijn aanleiding geven tot ernstige gezondheidsproblemen!!!

2.3.1. Belang van energie-arme voeding

Energierijke voeding zoals de verkrijgbare korrels veroorzaken overgewicht bij uw konijn. Overgewicht heeft tal van neveneffecten op verschillende organen en verkort hierdoor de levensduur!

2.3.2. Belang van grote - onverteerbare vezels in de voeding

De vezels in de voeding zijn voor het gehele spijsverteringsstelsel zeer belangrijk. In het eerste deel van de dikke darm gebeurt er een sortering van de vezels naargelang hun grootte. Grote vezels worden via de rest van de dikke darm afgevoerd en vormen de harde keuteltjes. Deze grote vezels worden ook wel onverteerbare vezels genoemd. Alhoewel uw konijn geen voedingsstoffen uit deze groep van vezels haalt, zijn ze voor hem van onschatbare waarde om de volgende redenen:

- Een vezelrijke voeding stimuleert de eetlust van uw konijn.
- De tanden van uw konijn groeien gedurende heel zijn leven door aan een tempo van ongeveer 2mm per week. De
   ruwe structuur van de vezel zorgt voor een langere kauwtijd en een sterkere slijtage van de tanden, waardoor uw
   konijn in staat is om de aangroei van de tanden weg te kauwen. Dit vermindert het risico op vorming van tandpunten
   (zo scherp als een naald!) die anders in tong of wangen steken. Tandpunten zijn één van de belangrijkste oorzaken
   van het weigeren van voeding. Zonder chirurgische interventie leiden ze tot sterfte.
- De onverteerbare vezels zijn nodig om de beweging en lediging van maag en darm te stimuleren. Een slechte
   maaglediging geeft aanleiding tot voedsel- en haarballen in de maag. Dit kan een de uitgang van de maag blokkeren
   waardoor het konijn stopt met eten, begint te vermageren en uiteindelijk sterft door uithongering. Een goede
   darmlediging is erg belangrijk om een gezonde bacteriële flora te onderhouden. Voeding dat te lang aanwezig blijft in
   de darmen veroorzaakt een afwijkende darmflora met darminfectie en darmvergiftigingen tot gevolg.
- Ook voor de blinde darm (een darmaanhangseltje waarin de caecotrofen gevormd worden) is een vezelrijke voeding
   van belang. Wanneer de voeding voor minder dan 14% bestaat uit vezels, gebeurt de dagelijkse lediging van de
   blinde darm onvolledig. Dit kan aanleiding geven tot het indikken van de inhoud in dit darmdeel met niet eten,
   vermageren en sterfte tot gevolg. Korrelvoeding bevat zelden 14 % vezel!!!

2.3.3. Belang van kleine - verteerbare vezels in de voeding

Naast de onverteerbare vezels, zijn ook de verteerbare vezels van belang. Deze kleinere vezelpartikels belanden eerst in het caecum (blinde darm). Hierin ondergaan ze een bacteriëel fermentatieproces. Tijdens dit proces worden aminozuren en vitaminen geproduceerd. Eenmaal daags (meestal in de voormiddag) baant de blinde darminhoud zich een weg doorheen de dikke darm richting buitenwereld. In deze dikke darm word de inhoud ingedikt tot caecotrofen. De levensnoodzakelijke aminozuren en vitaminen kunnen echter door het lichaam niet worden opgenomen. Caecotrofen zijn zacht, soms sterk geurend en blijven makkelijk kleven aan de anus. De prikkeling van de anus veroorzaakt een reflex bij het konijn waardoor het deze caecotrofen gaat opeten. Op deze manier belanden ze via de maag in de dunne darm waar de levensnoodzakelijke aminozuren en vitamines wel worden opgenomen door het lichaam. De verteerbare vezels in de voeding zijn van belang om:

- De onverteerbare vezels zorgen voor een drogere en stevigere stoelgang waardoor de achterhand van het konijn
   properder blijft en infecties vermeden worden.
- Konijnen met voldoende vezelrijke energiearme voeding brengen beduidend meer tijd door met eten. Dit is een goede
   bezigheidstherapie waardoor deze dieren minder onderhevig zijn aan psychische klachten gerelateerd aan verveling.
   Ze gaan ook minder geneigd zijn te gaan knagen aan meubilair of kabels. Korrelvoeding is steeds te energierijk en
   daarom niet aan te raden om te geven aan gezelschapskonijnen.
- als voedingsbron te dienen voor de bacteriële flora van de blinde darm.
- om slechte bacteriën geen kans te geven om te gaan woekeren in de blinde darm.
- caecotrofen met levensnoodzakelijke vitaminen en aminozuren te produceren.

2.3.4. Welke voeding is energie-arm en vezelrijk

- hooi, stro en vers gras zijn voor een konijn de basisvoeding bij uitstek!!! (Vezels bevinden zich immers vooral in
   plantencelwanden
- Verse onbereide groenten mogen aanvullend gegeven worden: men dient wel tomaten, komkommer en zetmeelrijke
   groenten zoals aardappelen, peulvruchten, mais te vermijden. Bladgroenten kunnen bij sommige konijnen een wat
   slappere stoelgang geven wat bevuiling van de achterhand met zich meebrengt. Men gaat dan best ook na welke
   bladgroenten het konijntje verdraagt en welke niet door in het begin kleine porties te verstrekken.
- Andere voedingsmiddelen heeft uw konijn niet nodig! Laat u dus ook niet in de maling nemen door vindingrijke
   fabrikanten die op uw goedbedoelde gevoelens inspelen. Een konijn heeft geen nood aan snoepjes en korreltjes

Veruit de meeste gezondheidsproblemen bij huisdierkonijnen zijn in verband te brengen met verkeerde voeding. Gun het uwe een lang en gezond leven door het op een correcte manier eten te geven!!

 

3. Sterilisatie en castratie bij konijnen

 

3.1. Sterilisatie bij de voedster

Net zoals bij honden en katten biedt ook bij konijnen het steriliseren een aantal voordelen. Een sterilisatie kan worden uitgevoerd vanaf de 5de levensmaand.

3.1.1. Voorkomen van dracht


Konijnen worden vruchtbaar tussen de 4de en de 9de levensmaand. Vanaf dit ogenblik kunnen ze zich voortplanten. Na een dracht van slechts een dertigtal dagen werpen ze gemiddeld 5 tot 8 jongen. Ze laten de jongen zogen gedurende een 25 tal dagen, daarna moeten ze zelf instaan voor hun voedsel. Een vrouwtjeskonijn (een voedster) kan zelfs opnieuw drachtig in de periode ze haar jongen nog zoogt. Op deze manier is ze in staat tot zeven nesten per jaar groot te brengen!

 

3.1.2. Preventie van schijndracht

Voedsters hebben een geïnduceerde ovulatie. Dit willen zeggen dat ze een eisprong krijgen onder invloed van uitwendige factoren. Uitwendige factoren die een eisprong kunnen uitlokken zijn: dekking, de nabijheid van een niet gecastreerd mannetjeskonijn (een rammelaar) of het besprongen worden door een ander vrouwtje ( het opspringende konijn wil hiermee zijn dominantie aantonen aan het besprongen konijn).
Na de eisprong wordt er in de eierstokken zwangerschapshormoon geproduceerd, ook bij voedsters die niet drachtig zijn. Het lichaam gedraagt zich als zijnde drachtig, maar is het niet. Deze toestand wordt dan ook schijndracht genoemd en duurt ongeveer 16 tot 18 dagen. Op het einde van deze periode kan het vrouwtje de eigen haren uittrekken om er een nestje mee te bouwen, bovendien kan ze territoriaal gedrag vertonen en zodoende andere konijnen of mensen die te dichtbij komen aanvallen.

 

3.1.3. Verminderen van het risico op melkklierkanker

Vanaf de leeftijd van drie jaar kunnen er zich erg kwaadaardige kankers ontwikkelen op de melkklieren van een voedster. Ze zaaien snel uit waardoor chirurgische interventie dikwijls te laat komt. Het risico op het ontwikkelen van deze dodelijke tumor kan sterk verminderd worden door het konijn op jonge leeftijd te laten steriliseren.

 

3.1.4. Voorkomen van eierstok en baarmoederproblemen

Abcessen, infecties en cysten ontwikkelen zich frequent op de eierstokken en in de baarmoeder. In een aantal gevallen is een chirurgische tussenkomst vereist om het probleem op te lossen. Bij meer dan de helft van de voedsters ontwikkelen zich kwaadaardige kankers in de baarmoeder. Deze zaaien makkelijk uit naar andere buikorganen of naar hersenen , longen, skelet en de huid.
Door sterilisatie is uw konijntje niet meer vatbaar voor deze ziekten.

3.2. Castratie van uw rammelaar

Deze operatie wordt vooral uitgevoerd wanneer meerdere mannetjes worden samengehouden of wanneer men geen nestje wil. Om de rangorde te bepalen gaan mannetjes met elkaar vechten. Dikwijls bijten ze elkaar hierbij in de balzak waardoor de testikels ontstoken geraken of soms zelfs worden afgebeten.

4. Geslachtsbepaling

Dikwijls merken we dat mensen een konijn hebben aangekocht waarvan het geslacht uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen men gevraagd heeft. Dit komt omdat men het geslacht bij konijnen de eerste drie levensmaanden zeer moeilijk kan bepalen. Na drie maanden dalen de testikels af in een duidelijk zichtbaar balzakje. Vanaf dit moment kan het geslacht met zekerheid worden bepaald.